Oproepje voor persoonlijke ondersteuning van mijn moeders missie
‘Hè bah, wat vervelend nou weer...’ mompelde mijn moeder naast me in de auto. ‘Nou stopt die vent voor ons zodat wij de uitrit af kunnen rijden. Dat vind ik zo vriendelijk dat ik hem daar graag voor zou willen bedanken, maar ik weet niet wie het is. Begint het gedonder opnieuw.’
Onderweg legde ze haar probleem uit. ‘Kijk,’ zei ze, ‘ik vind dat je mensen moet laten weten dat je hun vriendelijkheid waardeert. Daardoor krijgen ze er nog meer plezier in en gaan ze vanzelf nog vaker vriendelijk doen en daar heeft iedereen wat aan. Maar nou zit ik ermee dat ik niet altijd weet wie me geholpen heeft.
Zo ben ik twee weken geleden gestruikeld toen ik het postkantoor uitkwam. Ik viel op de grond en bezeerde mijn been. Toen heeft een jongeman me opgeraapt. Hij bood aan om me naar huis te brengen, vroeg of het wel ging en, nou ja, heel attent allemaal. Hij hielp me in de auto, want ik kon nog wel zelf naar huis rijden. Thuis realiseerde ik me pas dat ik hem helemaal niet bedankt had. Dat vond ik zo slordig van mezelf dat ik een plantje voor hem kocht. Want ik wist bijna zeker dat het de jongeman was die bij de natuurvoedingswinkel werkt.
Ik daarheen, maar toen ik hem zag dacht ik: ‘Nee, dat is hem toch niet.’ Heb ik dat plantje maar aan een vriendin gegeven. En als zij vond dat ze het niet verdiende, dan moest ze het maar aan haar buurvrouw geven. Een paar dagen later dacht ik: ‘Nee, nou weet ik het! Het was de jongeman die in de bloemenzaak werkt!’ Dus stapte ik daarheen met een doos bonbons en vroeg: ‘Jongeman, hebt u mij toevallig vorige week opgeraapt bij het postkantoor?’ Hij dacht even na, schudde z’n hoofd en zei: ‘Nee, maar ik denk dat het mijn broer geweest is. Die doet zulk soort dingen wel.’ Dus zei ik: ‘Geef deze bonbons dan maar aan je broer. En als hij het niet was, dan eten jullie ze maar samen op.’ Die gebeurtenis kan ik dus wel als afgesloten beschouwen. Maar nou stopt die vent weer voor ons zodat wij de uitrit uit kunnen rijden... En ik weet niet wie het is. Bah.’
Ik zag al voor me hoe mijn hopeloos dankbare moeder nu de komende weken weer het dorp door zal moeten met een fietstas vol plantjes en dozen bonbons. Want zolang het nog niet vanzelfsprekend is om elkaar te helpen, slaat ze geen kans op ‘Dank u wel’ zeggen over. Daar worden de mensen immers vriendelijker van, zegt zij. En zij kan het weten, want ze is al op leeftijd en komt veel vriendelijke mensen tegen op haar danktochten.
Ik zou het heel plezierig vinden als je haar daar misschien een beetje bij zou willen helpen door ook regelmatig wat mensen te bedanken, ook als je er niet helemaal zeker van bent dat ze het verdienen. Dat scheelt haar erg veel inspanning. Dank je wel, alvast.
Yoeke Nagel
Nieuwe reactie inzenden