Een verhaal van Asoka v.d. Maas, ter lering en vermaak van grote en kleine kinderen. Voorlezers: let op een correcte uitspraak (th = hete aardappelwerk)
Er was eens, in een sloot hier heel ver vandaan, een kikkervisje. Het zwom vrolijk rond, zwaaide snel heen en weer met z’n staart en zei alle dieren die het tegenkwam vriendelijk gedag. ‘Dag meneer’, zei het tegen de vis die langs zwom. ‘Dag meneer’, tegen de krokodil. ‘Dag mevrouw’, tegen de salamander. De dieren groetten vriendelijk terug. Ze hadden wel plezier in die kleine vlugge zwemmer. ‘Hallo jochie’, zeiden ze, of ‘Dag jongeman’, want een naam had het nog niet.
Zo gingen de dagen voorbij. Kikkervisje groeide en groeide, en begon er anders uit te zien. Waar eerst nog niets zat, verschenen pootjes. Twee achter. En toen ook nog twee van voren. Een raar gevoel was dat. ‘Dag kikkertje’, zeiden de andere dieren nu. Waarom wist hij niet, en hij durfde het niet te vragen. Hopelijk zouden de dingen nu een tijdje hetzelfde blijven, dan kon hij er tenminste aan wennen.
Maar nee hoor, het hield niet op. Want het leek wel alsof z’n staart los begon te zitten. Verdorie, wat was dat nu weer? Zenuwachtig probeerde kikkertje zo rustig mogelijk te zwemmen. Maar het hielp niet. De volgende ochtend viel de staart van z’n achterste. ‘Help, hoe heet u ook weer?’, riep hij naar de vis die juist voorbij zwom.
‘Ik ben mijn staart verloren’, riep kikkertje angstig.
‘Mijn naam is Vsl. Wat is er aan de hand?’
‘Ik ben mijn staart verloren’, riep kikkertje angstig.
‘Dat is niet zo mooi’, zei Vsl, ‘want zonder staart kun je niet zwemmen’.
‘O jee’, zei kikkertje, en begon meteen naar de bodem te zinken.
‘Wat is errrrr aan de hand ?’, klonk de zware stem van de krokodil.
‘Ik ben m’n staart verloren en zonder staart kan ik niet zwemmen’, riep kikkertje wanhopig.
‘Kom maarrrrr op mijn snuit zitten, dan brrrrreng ik je naarrrr boven. Je hebt toch poten? Dan hoorrrrr je op het land te lopen. Ik zal het je voorrrrrrdoen’.
Opgelucht klom kikkertje op de snuit van de krokodil en zo gingen ze samen omhoog. Boven water aangekomen, stapte krokodil de sloot uit en ging in het gras liggen. Z’n bek deed hij open.
Ja, nu zag kikkertje wel dat hij meer op meneer de krokodil leek dan op Vsl. Tevreden lagen ze een tijdje naast elkaar. Ook kikkertje had z’n bek open. Want zo hoorde het voor dieren met poten, dat begreep hij zonder woorden.
‘Hoe heet u ook weer?’, vroeg kikkertje aan de krokodil.
‘Mijn naam is Krrr rrr’.
‘Krrr rrr ?’
De krokodil begon te lachen. ‘Doe niet zo mal, dat is toch een meisjesnaam ? Krrr rrr, heet ik’.
Kikkertje herhaalde een paar keer zachtjes voor zichzelf Krr rrr, Krrr rrr.
‘Zullen we een eindje verrrrderrrrop gaan ?’ stelde Krrr rrr voor.
‘Goed’, zei kikkertje.
Meneer de krokodil liep voorop. Maar toen hij omkeek naar kikkertje, hield hij verontwaardigd halt.
‘Zeg eens, dat is toch geen lopen wat jij doet ? Waarrrrom doe je niet gewoon; je hebt toch poten?’
Kikkertje, die steeds met sprongetjes vooruit ging, had ook al gemerkt dat er iets niet klopte. ‘O jee’, dacht hij. Wanhopig probeerde hij Krrr rrr na te doen en netjes poot voor poot neer te zetten. Maar het lukte niet.
‘Eigenwijze snotneus’, mopperde Krrr rrr, en liep hoofdschuddend weg.
‘Help’, riep kikkertje. Dat had de vorige keer ook goed gewerkt, tenslotte.
‘Wat is er?’, vroeg een musje dat net langs vloog.
‘Ik kan niet zwemmen en ook niet lopen’, antwoordde kikkertje, ‘terwijl ik toch poten heb.
Krrr rrr is boos op me, omdat ik maar wat hop’.
‘Wat is er mis met hoppen ? Ik hip altijd. Hiphop, hoppen en hippen, dat lijkt me ongeveer hetzelfde’, antwoordde het musje. ‘Kom maar met mij mee hoor’.
Kikkertje keek naar het musje en maakte een hoge sprong. En toen een nog hogere. En nog hoger, en in de lucht zwaaide hij met z’n pootjes. En daar gingen ze, zelfs helemaal boven de bomen. Terug naar beneden hoefde niet meer.
‘Gaaf hè, vliegen?’
‘Gaaf hè, vliegen?’, vroeg musje enthousiast.
‘Ja, zeker’, zei kikkertje. ‘Alleen wel wat vermoeiend. Hoe heet jij?’
‘Mijn naam is Fltz vdvd’, zei het musje. ‘Ze noemen me meestal Fltz; dat mag jij ook wel doen’.
‘Dank je’, zei kikkertje. Hij was blij met z’n nieuwe vriendje.
Maar na een minuut of tien begon dat gevlieg kikkertje toch wel erg zwaar te vallen. ‘Is het nog ver Fltz? Ik houd het niet zo lang meer vol, ben ik bang’.
‘Nog ver? Hoezo? We vliegen zomaar wat rond, voor de lol. Hoe bedoel je, volhouden?’ Fltz begreep de moeilijkheid niet. ‘Hallo’, riep hij naar een duif die net langskwam. ‘We hebben een probleempje hier. Mijn vriendje vindt vliegen erg vermoeiend en houdt het niet lang vol’.
‘Dat is geen wonder’, antwoordde de duif . ‘Want je vriendje heeft geen vleugels. En zonder vleugels kun je niet vliegen’.
‘O jee’, riep kikkertje, en viel naar beneden.
Met een plons landde hij in het water. ‘En ik kan niet zwemmen’, schoot het door hem heen. Als dit maar goed ging aflopen. Hij opende z’n ogen en ...... zag dat hij in z’n oude vertrouwde sloot terecht was gekomen.
‘He, sleg, wat een plonth’, hoorde hij een vrouwenstem achter zich zeggen.
‘Dag mevrouw, ik bedoel, help’, zei kikkertje.
‘Wat ith er aan de slang, jongen ? Ik heb geen hand, begrijp je? sli sli sli’, giechelde de waterslang.
‘Ik kan niet zwemmen en niet lopen en niet vliegen’, riep kikkertje nog steeds angstig. ‘Ik heb geen staart en geen vleugels en met m’n poten is ook iets mis. Vsl en Krrr rrr en Fltz vdvd hebben geprobeerd me te helpen, maar ik ben een hopeloos geval, geloof ik’. Kikkertje vertelde wat hem allemaal was overkomen.
‘Ik heb ook geen staart’, zei mevrouw de slang. ‘Misschien ben ik een staart, maar dat ith een andere kwethtie. Poten en vleugelth heb ik ook niet, zoalth je sliet’.
‘Dan hoor ik bij u’, riep kikkertje blij. ‘Want ik lijk op u, toch? Hoe heet u ook weer?’
‘Mijn naam ith Lllllll. Waarom wil je perslé op iemand lijken, jongen?’
‘Nou ja, om te weten hoe het moet enzo’, aarzelde kikkertje. ‘Net als u, toch?’
‘Ach, jongen, ik doe maar wat. Als ik schouderth had, zou ik sle ophalen over wat anderen van me vinden, sli sli sli’.
Intussen waren kikkertje en Lllllll naar de bodem van de sloot gezonken. Kikkertje zakte een beetje in de modder, maar verder gebeurde er eigenlijk niets.
‘Er gebeurt eigenlijk niets’, zei kikkertje.
‘Dat bedoel ik nou, jongen. Nikth om je druk over te maken. Gewoon de dingen nemen zoalth sle komen. Hoe heet je trouwenth?’
‘Eh, ik heb nog niet echt een naam’.
‘Nou, deth te beter, dan kun je er slelf een verslinnen. Hoe slou je willen heten, jongen?’
‘Geen idee’, antwoordde kikkertje. ‘Weet u miththchien een goeie naam voor me?’ Kikkertje begon ook al een beetje slang te praten.
‘Wat dacht je van Kck, jongen ? Lekker vlot, en niet slo ingewikkeld alth mijn naam’.
Kikkertje sprong op uit de modder en zwaaide met z’n pootjes van enthousiasme. ‘Ja! Leuk! Kck, Kck, Kck’, riep hij een paar keer. Zonder dat hij het in de gaten had, verplaatste hij zoveel water met z’n pootjes, dat hij in het rond begon te zwemmen. ‘Kck, Kck, ik heet Kck’, riep hij maar. En plotseling ‘Lllllll, kijk! Ik zwem. Ik zwem! Ik kan wél zwemmen, zonder staart, op míjn manier’.
Hij keek om zich heen. ‘Lllllll?’
Maar Lllllll was nergens meer te bekennen. Wel zag Kck boven de sloot een vogel wegvliegen, de blauwe hemel tegemoet.
Nieuwe reactie inzenden